Francesco Petrarca, zijn leven (1304-1330)

Zijn jeugd (1304-1330)

Francesco Petracco (of Petraccolo) is op 20 juli 1304 geboren te Arrezza als zoon van de Italiaans notaris (er zijn verschillende meldingen over 's mans beroep:  advocaat, notaris of klerk aan een gerechtshof; daar ik het beroep notaris het meest heb gezien heb ik voor die vertaling gekozen) Pietro Petracco, wiens familie oorspronkelijk uit de regio Valdarno kwam.


Petrarca (gravure)

Petrarca groeide op in het dorp Incisa, nabij Florence. In Florence geraakten de notabelen (waartoe Pietro Petracco behoorde) verdeeld in twee kampen: de Witte en de Zwarte Welven. De door de paus gesteunde Zwarte Welven slaagden er in 1302 in de Witte Welven te verbannen. Tot de ballingen behoorde, naast het gezin Petracco, ook de beroemde Italiaanse dichter Dante Alighieri. 
Gelijktijdig met Dante werd Petracco's vader om zijn lidmaatschap van de Witte Welfen uit Florence in 1302 verplicht om Florence te verlaten en verhuisde naar Arezzo waar Francesco in 1304 geboren is. De provinciehoofdstad Arezzo, in de Romeinse tijd 'Arretium' geheten, ligt in het oostelijk deel van Toscane, circa 80 km zuidoostelijk van Florence. Het geboortehuis van Petrarca (Casa Petrarca) bestaat nog steeds en ligt aan Via dell'-Orto 28 en functioneert tegenwoordig als Petrarca-academie.

De familie verhuisde in 1312 naar Avignon, Zuid Frankrijk, alwaar het verbannen pauselijke hof verkeerde. De pauselijke residentie bevond zich van 1309 tot 1377 niet in Rome, maar in Avignon, waar de paus zich in ballingschap tevreden moest stellen met een bijrol in de internationale politiek. Zijn voorgangers hadden zich nog als heerser over kerk én staat opgeworpen, die koningen en keizers konden aanstellen en afzetten.

In Avignon zocht Petracco's vader een betrekking in dienst van de paus. Een Een Italiaanse leraar bracht Francesco en Gherardo de beginselen van het Latijn bij. Vader Petracco zag voor zijn zonen, in zijn voetsporen, een toekomst weggelegd als advocaat of notaris. Aanvankelijk leek het erop dat zijn wens in vervulling zou gaan. Op 12-jarige leeftijd schreef Francesco zich in als rechtenstudent aan de universiteit van Montpellier. Als familienaam gaf hij Petrarca op, de Latijnse variant die hij zijn leven lang zou bezigen. 

Petrarca's eerste studies waren in Carpentras, Frankrijk, en op zijn vaders aandringen is hij rechten gaan studeren in Montpellier in 1316. Daarvandaan is hij teruggekeerd naar Italië met zijn jongere broer Gherardo, om de rechtenstudies af te maken in Bologna, het oudste en internationaal bekende centrum van rechtsgeleerdheid (1320). Toen al ontwikkelde hij, zoals hij later in een brief zou omschrijven als "een onbetwistbare dorst naar klassieke literatuur". 

Petrarca's eerste gedichten, over de dood van zijn moeder, dateren uit de Montpellier/Bologna periode, hoewel hij deze later aanzienlijk heeft gecorrigeerd. Terwijl ondertussen zijn kennis en liefde voor de klassieke schrijvers toe nam, maakte hij kennis met de nieuwe streek(taal)gedichten die werden geschreven. Na de dood van zijn vader in 1326 was Petrarca vrij om zijn rechtenstudies vaarwel te zeggen en zich te wijden aan zijn eigen interesses. Teruggekeerd in Avignon, nam hij geestelijke bijvakken en trad toe tot het huishouden van de invloedrijke kardinaal Giovanni Collona. Tevens legde hij zich toe op de studie van de klassieken. 

Hij voorzag in zijn levensonderhoud door de lagere priesterwijding te ondergaan, wat hem het recht gaf de mis te lezen. Bovendien haalde hij de vriendschapsbanden aan met Giacomo Colonna, die met hem in Bologna gestudeerd had, maar ook naar Avignon was teruggekeerd. Via de familie Colonna, waarvan de leden belangrijke kerkelijke en politieke functies bekleedden, kwam Petrarca in contact met vele vooraanstaande personen. Geleerden in Avignon, met wie Petrarca de liefde voor de klassieke literatuur deelde, namen hun jongere geestverwant in hun midden op. In 1328 kreeg de kring van geleerden een Liviushandschrift onder ogen, dat hun gemoederen flink in beroering bracht: tot dat moment kende men van Livius´ Ab urbe condita (een geschiedenis van Rome vanaf de stichting van de stad) 20 boeken. Men had veronderstelde dat zij het hele geschiedwerk vormden. Het nieuwe handschrift bleek 10 nieuwe boeken te bevatten en 5 reeds bekende boeken in een licht afwijkende versie. Het Liviushandschrift deed de geleerden beseffen dat delen van het werk (en andere antieke werken) in de Middeleeuwen kwijt waren geraakt. Tevens moesten zij inzien dat in de gedeelten die wel overgeleverd waren bij het kopiëren van de handschriften variante lezingen waren ontstaan. Petrarca stortte zich gefascineerd op de twee manuscripten: hij vergeleek de variante lezingen en probeerde de oorspronkelijke tekst te reconstrueren. Ook ging hij verwoed op zoek naar handschriften, in de hoop nog onbekende (versies van) antieke geschriften te bemachtigen. Alleen al Livius´ geschiedwerk, zo ontdekte hij door studie, had oorspronkelijk 142 boeken geteld!

Petrarca genoot van het leven in Avignon; er is een befaamde omschrijving van hem en zijn broer als fatjes in zijn gepolijste verfijnde wereld; maar hij maakte ook naam om zijn geleerdheid en zijn verfijnde ontwikkelingsniveau.

Naast zijn liefde voor literatuur behield Petrarca gedurende zijn jeugd een diep religieus geloof, neiging naar zedelijkheid en een ongebruikelijk inzicht van de voorbijgaande eigenschap van menselijke affaires. Daarna volgde de reactie: een periode van losbandigheid welke samenviel met het begin van zijn beroemde ingetogen liefde voor de vrouw die alleen bekend is als Laura.Vergeefse pogingen zijn eraan gewaagd om Laura te identificeren, maar Petrarca zelf heeft ervoor gekozen alles omtrent de burgerlijke status van Laura voor zichzelf te houden, alsof hij dit niet belangrijk vond. Hij zag haar voor het eerst in de Kerk van Ste. Clare in Avignon op Goede Vrijdag 6 april 1327 en hield tot zijn dood van haar, ondanks het feit dat zij voor hem onbereikbaar was. Juist door deze liefde ontsproot het werk waardoor hij het meest geprezen is, de Italiaanse Gedichten ("Rime"), welke hij poogde te degraderen als vulgaire kleinigheden maar welke hij wel bewaarde en gedurende zijn hele leven bijwerkte.


Klassieke studies en zijn carrière (1330-1340)

In 1330 ontmoette Petrarca Giacomo´s broer, de kardinaal Giovanni Colonna, die zijn hechte vriend en beschermheer werd. Giovanni bood Petrarca onderdak in zijn paleis in Avignon en stelde hem in staat zich te wijden aan de schone letteren. Het Latijn had in deze tijd niet Petrarca´s volledige aandacht: op momenten dat hij niet studeerde, bezong hij in Italiaanse sonnetten Laura, zijn grote, mysterieuze en onbereikbare liefde. De sonnetvorm is ongeveer 750 jaar geleden ontstaan in het dertiende-eeuwse Italië.

Hij bracht de zomer van 1330 door in Lombez, Frankrijk, wiens bisschop (Giacomo Collonna) een oude vriend was van Bologna. Lombez ligt in de vallei van de Save, 164 m boven de zeespiegel.

 In 1336 ontving hij een kerkzetel maar hij bleef tot 1337 wonen in Avignon. Buiten zijn liefde voor Laura was deze periode een belangrijke voor Petrarca. Dit waren jaren vol ambitie en onverminderde studie (met name op het gebied van klassiek Latijn). Het waren ook reislustige jaren. 
Giovanni financierde studiereizen voor Petrarca, met als enige voorwaarde, dat deze hem in brieven over zijn belevenissen vertelde. Zo reisde Petrarca door Frankrijk, de Zuidelijke Nederlanden en West-Duitsland, waar hij leermeesters bezocht en koninklijke bibliotheken doorzocht naar verloren klassieke geschriften (in Luik ontdekte hij kopieën van twee speeches van Cicero). 
In Parijs heeft hij van een vriend en geestelijke vertrouweling, de Augustijner monnik Dionigi of Sansepolcro, een kopie ontvangen van de Belijdenissen van St. Augustine welke hij steeds meer ging gebruiken als het getijdenboek van zijn geestelijk leven.

Overal waar hij kwam werd hij onthaald door literatuurliefhebbers, die al gehoord hadden van zijn talent. Petrarca liet geen kans onbenut om nieuwe handschriften te bemachtigen: Zo vaak ik op reis de torens van een kloosterkerk boven de bomen zag uitsteken, boog ik van de weg af en vroeg verlof om de boekerij te zien; meestal bleef ik dan enkele dagen te gast om een tekst te kopiëren. In 1333 ontdekte hij in Luik de redevoering Pro Archia, een verloren gewaand werk van Cicero.

Deze ervaringen brachten zijn missie als koppig advocaat van de samenhang tussen klassieke culturen en de Christelijke boodschap scherper in beeld. Door het samenvoegen van deze twee ogenschijnlijk conflicterende idealen, het ene ideaal als rijke belofte en de andere als zijn goddelijke vervulling, kan hij aanspraak maken de grondlegger en grote vertegenwoordiger  te zijn van de beweging die bekend staat als Europees Humanisme. Hij verwierp de oorspronkelijke argumentatie en eindeloze spitsvondigheden op welke de middeleeuwse scholastiek (nog studerend kloosterling) trots was en keerde terug naar waardes en geestelijke verlichting van de morele druk van de klassieke wereld. 

Een hoogtepunt vormde voor Petrarca de reis die hij in 1337 naar Rome ondernam alwaar hij geraakt werd door de ruines van de evidente grootheid van diens verleden. . De angst dat de stad die hij vanwege haar grootse verleden zo liefhad in werkelijkheid zou tegenvallen, bleek ongegrond. In een brief aan Giovanni beschreef hij de overweldigende indruk die Rome op hem maakte: Hoezeer ook brandend van verlangen, had ik niet zonder opzet mijn reis uitgesteld, uit vrees dat het beeld dat ik in mijn fantasie had opgebouwd, verstoord zou worden door de aanblik van mijn ogen en de tegenwoordigheid, die altijd voor alles, wat groot is, ongunstig is. Maar, het is wonderlijk om te zeggen, die tegenwoordigheid heeft alles niet verkleind, maar integendeel vergroot; in waarheid is Rome groter, en zijn ook de overblijfselen groter, dan ik vermoedde. Nu verbaast het mij niet meer, dat de wereld door deze stad veroverd is, maar dat het zo laat geschiedde.

Op zijn terugkeer naar Avignon zocht hij een toevluchtsoord om het corrupte leven te ontlopen - het pausschap was destijds volledig gepreoccupeerd door niet-kerkelijke bezigheden - en een paar kilometers naar het oosten vond hij zijn "eerlijke transalpijnse eenzaamheid", in een huis buiten Avignon in een dal van de Vaucluse, welke naderhand zijn zeer geliefde toevluchtsoord werd. 

In deze landelijke omgeving bracht hij zijn dagen studerend en wandelend door. Zijn naaste vrienden bezochten hem van tijd tot tijd, maar buiten dat zocht Petrarca niets anders dan het gezelschap van de geschriften uit zijn bibliotheek: Hier breng ik alle vrienden, die ik heb of die ik heb gehad, en niet alleen diegenen, die ik in de omgang als vrienden beproefd heb, en die een stuk van mijn leven hebben gedeeld, maar ook hen, die vele eeuwen voor mij gestorven zijn, en mij slechts door het geschenk, dat zij in hun geschriften gaven, bekend zijn, die ik om hun daden, hun geest, hun karakter en levenswijze of hun meesterschap over de taal en hun talent bewonder, uit alle plaatsen en alle tijden in dat kleine dal bijeen.

Hier zal hij verblijven tot 1353 met korte onderbrekingen van reizen naar Italië; in Verona ontdekte hij het manuscript van Cicero's brief aan Atticus. 

Het bepalen van de chronologische volgorde van Petrarca's geschriften is gecompliceerd door zijn gewoonte zijn werk (vaak aanzienlijk) te herzien. Tegen de tijd dat hij Vaucluse ontdekte had hij daarentegen een goed aantal van de individuele gedichten die hij zou voegen in de Epistolae Metricae (66 brieven in Latijnse hexameter verzen (gedichten die bestaan uit 6 voeten) en sommige van de streekrijmen geïnspireerd door zijn liefde voor Laura.

In Vaucluse werkte Petrarca geconcentreerd aan de verwezenlijking van een diepgeworteld verlangen: net als de antieke auteurs wilde hij literaire meesterwerken te schrijven om onsterfelijke roem te verwerven. Zoals Petrarca zelf schreef: de begeerte naar de Delphische lauwerkrans - het enige waarnaar keizers en dichters vroeger verlangden, ze heeft mij dikwijls slapeloze nachten bezorgd. Met Vergilius´ beroemde epos de Aeneis in gedachten besloot Petrarca dat een heldendicht het meest geschikte genre was om zijn reputatie als schrijver veilig te stellen - zowel bij tijdgenoten als bij toekomstige generaties. Zijn Africa, een epos gewijd aan de heldendaden van de Romeinse aanvoerder Scipio Aficanus in laatste jaren van de tweede Punische 0orlog (218-202 v.Chr.), had het gewenste effect: in 1340 bereikten hem op dezelfde dag twee uitnodigingen, uit Rome en Parijs, om de lauwerkrans in ontvangst te nemen. Voor Petrarca was de keus tussen de twee steden snel gemaakt: naar een traditie die keizer Domitianus eind eerste eeuw had ingesteld, liet hij zich in 1341 op het Capitool tot dichter kronen (zie renovatio). Als ‘examen’ had hij vooraf voor koning Robert van Napels gedurende drie dagen een voordracht over de dichtkunst gehouden.

Bewonderaars van de Africa drongen bij Petrarca aan op snelle publicatie van een volgend werk, geïnspireerd op de klassieke oudheid. Dit keer koos Petrarca voor een serie levensbeschrijvingen van beroemde mannen, opnieuw een genre dat al in de oudheid was beoefend door o.a. Suetonius. Onderwerp van zijn De viris illustribus waren personages als Romulus en Caesar, die een hoofdrol hadden gespeeld in de Romeinse geschiedenis. Petrarca heeft zich, met grote tussenpozen, zijn leven lang met dit geschiedwerk beziggehouden. Pas na zijn dood is het onvoltooide manuscript gepubliceerd.

Het tegenwoordige sonnet dankt zijn populariteit vooral aan de vele sonnetten die Francesco Petrarca (1304-1374) voor zijn onbereikbare Laura schreef. Vanuit Italië verspreide het sonnet zich over de rest van Europa. In Engeland zijn vooral de sonnetten van William Shakespeare (1564-1616) bekend. In Nederland schreven bijvoorbeeld P.C. Hooft (1581-1647) en Constantijn Huygens (1596-1687) sonnetten. Aan het einde van de negentiende eeuw begonnen de sonnetten in Nederland bij de Tachtigers aan een triomftocht die de hele twintigste eeuw zou duren.


Moraal en literaire evolutie (1340-1346)

Ondertussen verspreidde Petrarca's reputatie als geleerde;  in September 1340 ontving hij uitnodigingen uit Parijs en Rome om gekroond te worden als dichter. Hij heeft wellicht deze eer opgezocht, gedeeltelijk uit ambitie maar vooral door de opleving van de dichtcultuur die na meer dan 1.000 jaren gevierd werd. Hij aarzelde niet om voor Rome te kiezen, en dienovereenkomstig werd hij gekroond op de Capitoline Heuvel op 8 april 1341, waarna hij zijn lauwerkrans op het graf van de apostel in de Sint Pieter basiliek; de symbolische handeling plaatste een brug tussen de klassieke tradities en de christelijke boodschap.

Met de kroning op het Capitool had Petrarca op 37-jarige leeftijd zijn levensdoel bereikt. Nu hij een internationale beroemdheid was viel Petrarca de daaropvolgende jaren in een gat. Rusteloos zwierf hij in Italië van stad naar stad. In Padua en Milaan verbleef hij langere tijd aan het hof van de heersers van deze steden. Verscheidene malen gaf Petrarca gehoor aan verzoeken om als gezant op te treden bij diplomatieke missies.

Vanuit Rome vertrok Petrarca naar Parma; vanuit de daar gelegen afzondering van Selvapiana vertrok hij in de herfst van 1343 weer naar Avignon. Het is algemeen verondersteld dat hij op dat moment een morele crisis doormaakte, geworteld in zijn onvermogen zijn leven conform zijn religieus geloof in te richten en mogelijk verhevigd door zijn broers besluit om toe te treden tot Cartesiaans klooster. In ieder geval, dit is een gebruikelijke lezing van de Secretum Meum (1342-1343). Het is een autobiografische beschouwing van drie dialogen tussen Petrarca en St. Augustine in de tegenwoordigheid van de Waarheid. Hierin behield hij de hoop dat, zelfs tussen wereldlijke bezigheden en fouten, zelfs in zichzelf en zijn eigen aangelegenheden, een man toch zijn weg naar God moest kunnen vinden.

Petrarca's spirituele "probleem" vond bijgevolg hiervan een samenhangende oplossing, een die men ook wel "Petrarca's visie en de humanistisch godsdienstige en morele verwachting" noemde. 

Om die reden werd het meer een evolutie (moraal en literair) dan een crisis die ervoor zorgde dat Petrarca besloot dat zijn liefde voor Laura meer een liefde voor het individu was dan voor de Schepper en daarom verkeerd - bewijs van zijn genegenheid voor de wereld. Het was een openbaring in zijn denken die ertoe leidde te breken met de grenzen van zijn te exclusieve eerbied voor de Oudheid en ruimte te maken voor andere gezaghebbende meningen. Het was, bijvoorbeeld, dat De Viris, was uitgebreid om materiaal toe te voegen van zowel de heilige als de niet-kerkelijke geschiedenis, terwijl hij in De Vita Solitaria (1346) de theoretische basis en beschrijving van het kluizenaarsschap omschreef waarbij men vertroosting genoot van natuur en studie tezamen met die van gebeden.

Tijdens zijn leven gaf Petrarca de voorkeur aan latijn boven Italiaans, maar bij schreef zijn beroemdste werken, de liefdes- en leergedichten Canzoniere en Trionfi, in het Toscaans. Daarbij verfijnde hij zijn moedertaal door middel van latijn en legde samen met Dante en Boccaccio de basis voor een Italiaanse nationale taal. In zijn taalkundige en historische aantekeningen zijn talrijke persoonlijke reisindrukken te lezen - van mooie meisjes in Keulen tot opwindende bibliotheekbezoeken.

Bij Petrarca zien we voor het eerst  individuele observaties en waarnemingen. Volkomen nieuw bijvoorbeeld zijn zijn beschrijvingen van natuurervaringen, van het beklimmen van de Mont Ventoux of van de stilte in de Vaucluse - zo waren tot dan toe noch de natuur noch gevoelens verwoord. In deze tijd maakt ook in de schilderkunst de gouden achtergrond plaats voor door waarneming verkregen afbeeldingen.

De dichtkunst van Petrarca wordt gekenmerkt door een eveneens daarvoor onbekende nadruk op subjectieve ervaring. Dit aspect duidt op moderne en romantische conflicten en maakt Petrarca tot de eerste modern voelende mens. In zijn beroemde gedichtenbundel Canzoniere, het dagboek van zijn liefde voor Laura, wijst hij in psychologische beschouwingen op de ontoereikendheid van de mens, op de tweespalt tussen ziel, oneindigheid en eenzaamheid en de samenhang tussen persoonlijke vrijheid en toenemende vereenzaming.


Breuk met zijn verleden (1345-1353)

In 1345 deed Petrarca in Verona een ontdekking, die hem in eerste instantie verheugde, maar bij nadere beschouwing teleurstelling in hem wakker riep: in de kathedraalbibliotheek vond hij de brieven van Cicero ad Atticum, ad Quintum en ad Brutum (aan zijn vriend Atticus, zijn broer Quintus en aan Brutus). De auteur, die Petrarca zo bewonderde op grond van zijn redevoeringen en filosofische geschriften, leerde hij nu uit zijn brieven als persoon kennen - een persoon met zwakheden en tekortkomingen. Petrarca gaf op zijn beurt in een brief, gericht tot Cicero en geschreven in Ciceroniaanse stijl, uiting aan zijn teleurstelling. In het 24e boek van Petrarca´s Epystole ad familiares bevinden zich 12 opmerkelijke brieven aan schrijvers uit de Klassieke Oudheid. Petrarca richt het woord o.a. tot Seneca, Livius, Horatius, Vergilius en Homerus. De brieven aan Vergilius en Horatius zijn gesteld in dichtvorm. Twee brieven aan Cicero openen de serie.

De vondst van Cicero´s brieven heeft Petrarca geconfronteerd met een nog onbekende kant van de door hem zo bewonderde en beminde auteur van filosofische en retorische werken. Nu hij Cicero´s ontboezemingen in de roerige periode vol burgeroorlogen heeft leren kennen, is Petrarca tot de slotsom gekomen dat zijn Romeinse vriend een niet in alle opzichten even voorbeeldig leven heeft geleid. In de eerste brief, onmiddellijk na de ontdekking van Cicero´s brieven geschreven, schrijft Petrarca zijn teleurstelling en boosheid van zich af. De tweede brief is enkele maanden later geschreven. Petrarca´s woede is gezakt; ondanks zijn teleurstelling is er weer ruimte voor waardering voor de filosoof en redenaar in Cicero.

De gebeurtenissen van de volgende jaren zijn fundamenteel voor zijn biografie, zowel voor de man als voor de schrijver. In de eerste plaats werd hij enthousiast door de pogingen van Cola die Rienzo om de Romeinse republiek weer te doen herleven en om de volksvertegenwoordiging in Rome, een sympathie die hem nog meer afscheidde van het hof te Avignon en in 1346 zelfs leidde tot het verlies van de vriendschap van Kardinaal Colonna. 

Niet lang daarna, in 1347, trad Petrarca zelf naar buiten op een wijze die hem veel kritiek heeft opgeleverd: hij verleende zijn medewerking aan de staatsgreep van Cola di Rienzo in Rome, die een onafhankelijk Italië, los van het Duitse rijk, voorstond. Verblind door de gedachte dat Rienzo het Imperium Romanum weer tot leven zou wekken, steunde Petrarca hem zelfs ten koste van zijn jarenlange vriendschap met Giovanni Colonna, die in de strijd tegen Rienzo tientallen bekenden verloor. Rienzo ontpopte zich weldra als een megalomane fantast en werd tot ieders genoegen afgezet.

Gedurende de Plaag van 1348, ook bekend als De Zwarte Dood, werden veel vrienden van Petrarca (waaronder zowel Laura als zijn beschermheer kardinaal Giovanni Colonna) slachtoffer van deze dodelijke ziekte; Laura stierf op 6 april, de verjaardag van zijn ontmoeting met haar, leidde hij enige jaren een rusteloos bestaan, met reizen naar ondermeer  Parijs, Florence, Napels en Milaan. Uiteindelijk maakte hij in het jaar 1350 een pelgrimstocht naar Rome en deed later dat jaar afstand van zintuiglijke genoegens.

Deze twee jaartallen zijn mijlpalen uit Petrarca's carrière, maar de tijd ertussen was gevuld met diplomatieke missies, studie en immense literaire activiteiten. In Verona in 1345 maakte hij zijn grote ontdekking van de brieven van Cicero aan Atticus, Brutus en Quintus welke het hem mogelijk maakten door te dringen in het leven van deze grote redenaar. Deze brieven spoorden hem aan om brieven te schrijven aan schrijvers uit de oudheid van die hij zo bewonderde. Hij maakte een collectie van zijn eigen brieven die hij had verspreid onder zijn vrienden. Deze collecties maken niet alleen verslag van Petrarca's aanleg voor vriendschappen maar ook van de veranderingen in gewoontes waarmee hij de Middeleeuwen achter zich liet en zich klaarmaakte voor de Renaissance. Tegen het einde van 1345 keerde hij terug naar de rust van Vaucluse en bracht daar twee jaar door, voornamelijk om De Vita Solitaria te wijzigen, maar hij ontwikkelde ook het "Thema van eenzaamheid" in samenhang met het klooster, in "De Otio Religioso".

Tussen November 1347 en zijn pelgrimstocht naar Rome in 1350 was hij ook in Verona, Parma en Padua. Veel van die tijd bracht hij door met het verbeteren van zijn kerkelijke carrière; de bewegingen en vijandigheid die dit opriepen deden hem intens verlangen naar de rust van Vaucluse; zelfs het bezoek van zijn levenslange vriend Boccaccio, die hem een leerstoel ter ontwikkeling onder zijn begeleiding op de Universiteit van Florence aanbood, kon hem niet van zijn plan afbrengen. Hij verliet Rome in mei 1351 om naar Vaucluse te vertrekken.

Hier werkte hij aan een nieuwe versie voor de "Rime". Het project was verdeeld in twee stukken: "Rime in vita di Laura" (“Gedichten tijdens Laura's leven”) en "Rime in morte di Laura" (“Gedichten na Laura's Dood”), welke hij nu selecteerde en arrangeerde om zijn eigen verhaal van spirituele groei te verduidelijken. De keuze van gedichten was verder beïnvloed door een voortreffelijke esthetische smaak en door een voorliefde voor bij benadering chronologische samenstelling, vanaf het omschrijven van zijn verliefd worden tot zijn definitieve aanroep door de Maagd Maria, vanaf zijn jeugdzonden tot het besef "alle wereldse plezieren zijn vergankelijke dromen"; van zijn liefde voor deze wereld tot zijn vertrouwen in God. Het thema van zijn Canzoniere (zoals de gedichten tegenwoordig bekend zijn)  gaat daarom voorbij aan de schijnbaar ondergeschikte kwestie, zijn liefde voor Laura. Voor het eerst in de geschiedenis van de nieuwe dichtkunst zijn teksten bij elkaar gehouden in een wonderbaarlijk weefsel met een eigen identiteit.

Door alles te selecteren wat het meest verfijnd en tevens duidelijk in de traditie van de voorafgaande twee eeuwen en gefilterd door zijn nieuwe waardering van de klassieke werken, liet hij het mensdom uiterst heldere en toch gepassioneerde,  nauwkeurig en toch suggestieve uitdrukkingen van liefde en verdriet, van vervoeringen en zorgen van de mensheid na, maar creëerde hij ook met zijn geweldige gevoeligheid van vorm en taal van de moderne dichtkunst, om een gezamenlijke basis voor lyrische dichters van heel Europa aan te leveren.

Hij werkte ook verder aan "Metricae", begon er aan in 1350, met een woordentwist tegen de conservatieve vijanden van zijn nieuwe meningen over onderwijs, welke verwierpen de heersende "Aristotelianism" leerschool en herstelde de geestelijke waarden van conventionele schrijvers - de nieuwe studies werden genoemd "litterae humanae"ofwel "menselijke literatuur".
Hij werkte ook aan zijn gedicht Trionfi, een meer generaliserende versie van het verhaal van de menselijke geest in zijn groei van aardse passie naar het vinden van bevrediging in God.

Bovenal werd Petrarca met het voortschrijden der jaren geplaagd door de overtuiging dat hij door roem na te jagen tekort was geschoten in zijn christelijke levensovertuiging. In een befaamde brief over de beklimming van de Mont Ventoux had hij deze gedachte al eerder allegorisch vormgegeven: terwijl zijn broer Gherardo, die in het klooster was gegaan, doelgericht en direct naar de top klom, verliep zijn eigen klim veel trager en moeizamer, door de vele zijpaden die hij koos. In een werk, getiteld De secreto conflictu curarum mearum (Over mijn geheime tegenstrijdige gevoelens), erkende Petrarca dat deze zijpaden, waarop hij terecht was gekomen uit verlangen naar roem, hem geen geluk hadden gebracht. In twee andere werken, De vita solitaria (Over het eenzame leven) en De otio religioso (Over de godgewijde ledigheid) beschreef hij de levenswijze, die hem voortaan voor ogen zou staan: in een landhuis in Arquà (nabij Padua) leidde Petrarca vanaf 1369 een teruggetrokken leven. Met gebeden, lectuur en correspondentie vulde hij zijn dagen. 


Petrarca's schrijfkunst

Petrarca was grote voorloper van het humanisme. Hij besteedde heel veel tijd aan het zoeken naar kostbare boeken om ze zelf te kopiëren. Hij had een groot gevoel voor schoonheid, haalde veel genot uit het overschrijven en was erg trots op zijn  schoonschrijfschrift. Zijn "Canzoniere" is een van de meest geroemde werken uit de Europese literatuur. Hij schreef veel in het Latijn over zichzelf en de tijd waarin hij leefde; hij bewaarde zijn brieven voor het nageslacht en leefde letterlijk voor zijn boeken.

Gotiek is nooit erg succesvol geweest in Italië, noch in architectuur (de Milaanse cathedraal "Duomo" is een zeldzaam verschijnsel) noch in schoonschrift. Petrarca's handschrift is een heel mooi voorbeeld van Italiaanse Gotiek, welke is ontsproten aan de Universiteit van Bologna. Hier heeft Petrarca zich toegelegd op deze schrijfstijl. Het wordt "rotunda" genoemd, een variant van het Gotische schrift welke in het noorden van Italië in de 14e eeuw redelijk populair was, is wat ronder dan het Franse Gotische schrift: groter, elegant met brede streken, regelmatig en verticaal. De letters zijn van elkaar gescheiden; kijk eens naar de ronde vormen van de O, de M en de B.

Wellicht dat de eerste humanisten meer behoefte hadden aan een verbetering van het schrift want ze lazen meer dan hun voorgangers. Het zijn deze geschreven drukletters welke ontwikkeld zijn om het 15e eeuwse humanisme op schrift te stellen.


De latere jaren (1353-1374)

De dood van zijn dierbaarste vrienden, antipathie tegen de nieuw gekozen paus, Innocent VI, groeiende slechte relaties met het hof van Avignon, allen hebben er toe bijgedragen dat Petrarca de Provence zou verlaten. Hij vond onderdak in Milaan en verbleef voornamelijk daar in de volgende acht jaren aan het hof van de Visconti's, door wie hij als gezant onder meer naar Venetië, Praag en Parijs werd gezonden; als zodanig bezocht hij in 1356 Karel IV in Praag.

Gedurende deze acht jaren completiseerde hij de eerste volledige editie van "Rime", vervolgende vlijtig met de "Familiares", werkte aan "Trionfi" en rangschikte een aantal eerdere geschriften.

Aan het begin van 1361 ging hij naar Padua in de hoop de Pest te kunnen ontlopen. Hij bleef daar tot september 1362 wanneer hij opnieuw als vluchteling van de Zwarte Dood onderdak zocht in Venetië. In ruil voor onderdak beloofde Petrarca om zijn werken na te laten aan de republiek. Hij werd vergezeld door zijn dochter Francesca, en het rustgevende geluk van haar kleine familie bezorgden hem veel genoegen.

Hij werd bezocht door zijn dierbaarste en zeer beroemde vrienden (inclusief de grote kanselier Benintendi de' Ravegnani en Boccaccio, die hem een zeer gewenste latijnse vertaling gaf van Homer's gedichten); hij nam respectabel deel aan het stadsleven en de plaatselijke politiek, hij werkte vreedzaam maar met grote toewijding aan de definitieve versies van zijn diverse werken. Niettemin, na het ontvangen van een belediging van vier jonge mannen die de Arabische interpretatie van Aristoteles werk, voelde Petrarca zich geroepen om terug te keren naar Padua in 1367. Hij verdeelde de tijd tot zijn dood tussen Padua en Arquà, in de naburige heuvels, waar hij een klein huisje bezat. Daar schreef hij de verdediging van zijn humanisme tegen de kritische aanval uit Venetie, "De sui ipsius et multorum ignorantia" In 1969 verhuisde Petrarca naar Arquà (later genoemd Arquà Petrarca), een prachtig middeleeuws stadje halverwege de hellingen van de zgn. Euganean Heuvels. 

Hij was nog steeds een veelgevraagd diplomaat; in 1370 was hij uitgenodigd naar Rome door Urban V, en hij vertrok nieuwsgierig om de vervulling van zijn grote droom over een nieuw Rooms Pausenhof, maar bij Ferrara is hij getroffen door een beroerte. Toch hield hij niet op met werken, in een poging tot wijziging creëerde hij een aantal kleinere werken en voegde hij nieuwe gedeeltes toe aan zijn "Posteritati", een autobiografische brief aan zijn nageslacht die werd gevormd door de conclusie van zijn "Seniles", hij vervolmaakte ook de laatste gedeeltes van de "Trionfi". 

Petrarca stierf in zijn studeerkamer op 18 juli 1374, 2 dagen voor zijn 70ste verjaardag, in het hem door Francesco da Carrara geschonken landgoed in Arquà bij Padua en met zijn hoofd rustend op een manuscript van "Virgil" is hij de volgende ochtend gevonden.

Het stempel van Petrarca's gedachten was een diep bewustzijn van het verleden als voeding van de tegenwoordige tijd. Zijn standvastige toewijding gaf aan dat, als er een Voorzienigheid was die de wereld bestuurde, het de mens als middelpunt had bepaald. Petrarca zorgde voor een theoretische basis voor de verrijking van des mens' leven. Maar, misschien nog belangrijker, het humanisme van de Italiaanse 15e eeuw die de Renaissance inleidde zou niet mogelijk geweest zijn zonder hem.

In het thans Arquà Petrarca geheten plaatsje bevinden zich Petrarca's graftombe (gemaakt van rood marmer uit Verona) op het plein van de kerk St. Maria, zijn bronzen borstbeeld (is geplaatst in 1457) en Petrarca's oorspronkelijke (tegenwoordig prachtig gerenoveerde) huis, verbouwd tot museum waar diverse persoonlijke bezittingen van de dichter te zien zijn (denk hierbij aan zijn stoel in de studeerkamer, zijn bibliotheek en een paar handgeschreven manuscripten. Maar ook Petrarca's  (opgezette) kat, ooit vertoond op televisie in een documentaire van Boudewijn Buch .

Het huis van Petrarca.

 

Uitzicht vanaf het hogere deel van Arqua op de kerk St. Maria met links daarvan, nog net door de bomen te zien, de graftombe van Petrarca.


Eerste moderne mens

Petrarca wordt nogal eens aangeduid als de eerste moderne mens. Die titel dankt hij aan zijn liefde voor de natuur, en voor een ander deel omdat de manier waarop hij de klassieke auteurs bestudeerde hem in staat stelde de sfeer van hun Latijn mee te geven aan zijn eigen geschriften. Petrarca laat ons ook zien welke veranderingen op politiek gebied de achtergrond vormden van zijn optreden: hij was een fervent patriot en steunde Cola di Rienzi (1313-1354), een Romeins rebel die in Rome een republiek uitriep, en die zich keerde tegen de paus die toen in Avignon verbleef. Waarschijnlijk vond de voorkeur van de Italianen voor de Latijnse klassieken steun in hun patriottische gevoelens.